Biologie in oppervlaktewater

De biologische kwaliteit is binnen de Kaderrichtlijn Water het belangrijkste onderdeel van de beoordeling van het oppervlaktewater. De biologische kwaliteit is een maat voor het vóórkomen van de planten en dieren die van nature in het water thuishoren.

Beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is het belangrijkste wettelijk kader om grond- en oppervlaktewatersystemen in Nederland te beschermen en te herstellen. Als toevoeging op de KRW is in 2016 de Delta-aanpak Waterkwaliteit gestart. Verder zijn er nog andere beleidstrajecten die de biologische waterkwaliteit beïnvloeden, waaronder het natuurbeleid.

Deelstroomgebieden kaderrichtlijn water

De KRW vraagt EU-lidstaten om in stroomgebiedbeheerplannen aan te geven welke doelen ze stellen en welke maatregelen ze uitvoeren om de gestelde doelen te halen. Uiterlijk in 2027 moeten alle wateren voldoen aan de vastgestelde doelen, tenzij gebruikgemaakt kan worden van een uitzondering. Een relevante uitzondering betreft doelen die niet gehaald worden vanwege natuurlijke omstandigheden: in die gevallen moeten in 2027 wel alle maatregelen zijn getroffen waarmee de doelen later gehaald kunnen worden. Het kan lange tijd duren voor de effecten van maatregelen zichtbaar worden in de biologische kwaliteit, bijvoorbeeld omdat soorten in het begin nog niet aanwezig zijn.

De KRW kent een complexe beoordeling, waarin Nederland binnen Europese kaders zelf de normen vaststelt voor het onderdeel biologie: de mate waarin bepaalde indicatieve planten en dieren voorkomen. De biologische kwaliteit wordt afgemeten aan vier soortgroepen: algen, vissen, macrofauna en waterplanten. Macrofauna bestaat uit kleine, maar met het blote oog waarneembare ongewervelde diersoorten zoals insecten, schelpdieren en slakken. De beoordelingen voor de verschillende soortgroepen worden in de eindbeoordeling per waterlichaam samengevoegd volgens het zogeheten one out, all out-principe, dat wil zeggen dat de eindscore gelijk is aan de slechtste van de onderliggende deelscores.

De normen en maatregelen voor de KRW komen samen in plannen die per land en per stroomgebied moeten worden opgesteld. Deze zogenoemde stroomgebiedbeheerplannen zijn voor een periode van zes jaar geldig; op dit moment wordt gewerkt aan nieuwe plannen voor de periode 2022-2027. Nederland is voor de KRW ingedeeld in zes deelstroomgebieden. Veel van de resultaten op dit kennisportaal worden gepresenteerd per deelstroomgebied, waarbij we Rijn-Noord en Eems samennemen onder de naam Noord.

Delta-aanpak Waterkwaliteit

In 2016 hebben overheden, maatschappelijke organisaties en kennisinstituten gezamenlijk de intentieverklaring ‘Delta-aanpak Waterkwaliteit’ getekend, met als doel ‘een stevige impuls’ te geven ‘aan de verbetering van de waterkwaliteit’. De Delta-aanpak heeft een breder perspectief op waterkwaliteit dan de KRW. Ook worden sectorinitiatieven zoals het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer, een initiatief van de land- en tuinbouworganisaties, in de Delta-aanpak meegenomen, evenals andere beleidstrajecten zoals het mestbeleid.

De Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) is een onderdeel van de Delta-aanpak. Doel van de PAGW is natuur en ecologie van de grote wateren een impuls te geven, aanvullend op de inspanningen voor de KRW en Natura 2000. Door klimaatverandering en een toenemend maatschappelijk gebruik neemt de druk op de grote wateren toe. Zonder een aanvullende inspanning dreigen de ecologische en natuurkwaliteit – ondanks de voorgenomen verbetermaatregelen – alsnog te verslechteren.

Natuurbeleid: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland

Het Europese natuurbeleid is gericht op Natura 2000, het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Nederland heeft 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. In ongeveer 70 daarvan zijn de aanwezige natuurwaarden afhankelijk van oppervlaktewater en in ongeveer 80 van grondwater. De provincies zijn verantwoordelijk voor het opstellen van de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden op land en in regionale wateren; een groot deel van de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden in de rijkswateren wordt opgesteld door Rijkswaterstaat.

Verder geldt binnen het Natuurnetwerk, inclusief de Natura 2000-gebieden binnen het netwerk, het 'nee, tenzij'-regime  uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) was geldig voor alle 118 stikstof-gevoelige Natura 2000-gebieden. Het PAS verbond ecologische en economische doelen. Door een uitspraak van de Raad van State in 2019 mag de PAS niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten worden gebruikt (BIJ12 2020). Nederland werkt nu aan een nieuwe aanpak van de stikstofproblematiek (LNV 2020).

Verder lezen

Doelen

De KRW-doelen voor biologie zijn voor ‘natuurlijke wateren’ landelijk vastgesteld en internationaal geharmoniseerd in de vorm van een ‘goede ecologische toestand’ (GET) per watertype. Van de ruim 700 Nederlandse waterlichamen hebben er 14 de status van een natuurlijk water. De rest van de wateren in Nederland is geclassificeerd als kunstmatig – door de mens gemaakt – of sterk veranderd, dat wil zeggen dat daar fysieke veranderingen hebben plaatsgevonden die niet kunnen worden teruggedraaid zonder significant negatief effect op gebruiksfuncties. Voor deze wateren wordt een ‘goed ecologisch potentieel’ (GEP) afgeleid. Het GEP wordt uitgedrukt in een Ecologische Kwaliteitsratio (EKR) met een getal op een schaal van 0–1, waarbij 1 gelijk is aan de natuurlijke toestand. De maximale waarde voor het GEP van sterk veranderde wateren is vastgesteld op 0,6; deze norm kan per waterlichaam worden aangepast.

De vaststelling van de GEP-normen gebeurde in eerste instantie bij de start van de KRW in 2009. Het is tussentijds mogelijk om het GEP ‘technisch’ aan te passen op basis van nieuwe inzichten over de maatlat of het effect van voorgenomen maatregelen. Dit is anders dan het gebruikmaken van uitzonderingsmogelijkheden (artikel 4.5 van de KRW), waarbij, mits goed gemotiveerd, minder strenge normen dan het GEP kunnen worden geaccepteerd. Van deze laatste mogelijkheid heeft Nederland tot nu toe geen gebruikgemaakt.

De provincies zijn verantwoordelijk voor het vaststellen van de normen voor regionale wateren. Het waterschap doet, als beheerder van het regionale oppervlaktewaterlichaam en vanwege de kennis van de watersystemen, voorstellen voor de normen. Voor de rijkswateren worden de normen door het ministerie van IenW vastgesteld.

Regionale wateren

spreiding van normen voor biologische kwaliteitselementen in regionale waterlichamen 2019

Spreiding van normen voor biologie voor regionale waterlichamen over de individuele waterschappen per deelstroomgebied. Getoond wordt het waterschap met de laagste gemiddelde waarde, het waterschap met de hoogste gemiddelde waarde en de gemiddelde waarde in het totale deelstroomgebied. De groene stippellijn is gelijk aan de maximale of default-GEP.

De waterbeheerders hebben voor ongeveer 40 procent van de waterlichamen een GEP van 0,6 aangehouden, al varieert dit per kwaliteitselement: algen 60 procent, macrofauna 35 procent, waterplanten 25 procent en vis 40 procent. Verder laten vrijwel alle deelstroomgebieden voor alle biologische parameters variatie zien tussen de waterschappen. Dit kan te maken hebben met verschillen in de mate waarin fysieke ingrepen hebben plaatsgevonden, maar ook in de inschatting van het effect van de maatregelen die zijn meegenomen om het GEP af te leiden.

Rijkswateren

Rijkswaterstaat heeft in de aanloop naar het eerste stroomgebiedbeheerplan 2009-2015 alle relevante KRW-maatregelen, de bijbehorende doelen en het hiervoor benodigde budget bepaald en vastgelegd. Aan de hand van nieuwe maatlatten, de monitoringsresultaten, het complete KRW-maatregelpakket en nieuwe inzichten heeft Rijkswaterstaat een technische doelaanpassing uitgevoerd voor de biologie. Daarmee wordt voor ongeveer 30 procent van de waterlichamen een GEP van 0.6 aangehouden. Voor algen is dit 80 procent, macrofauna 25 procent, waterplanten 10 procent en vis 15 procent.

Verder lezen

Toestand

Nationaal

spreiding van normen voor biologische kwaliteitselementen in regionale waterlichamen 2019

 

Het percentage waterlichamen dat voldoet volgens de rapportage uit 2018 (veelal gebaseerd op waarnemingen uit de periode 2015-2017) varieert per biologisch kwaliteitselement. Voor algen voldoet ca. 45 procent, voor macrofauna en waterplanten minder dan 30 procent. Als de formele KRW-methode wordt gebruikt die voorschrijft dat alle parameters goed moeten scoren (one out, all out), voldoen 39 waterlichamen (6 procent).

Regionaal

Aandeel regionale waterlichamen dat voldoet aan biologische norm 2018

 

Het aandeel regionale waterlichamen dat nu voldoet voor de biologische kwaliteitselementen verschilt sterk per regio en per parameter. Dat betekent dat ook de opgave sterk verschilt. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat de kennis over het functioneren van brakke watersystemen beperkend is voor een goede afleiding van maatlatten en normen. In Schelde liggen voornamelijk brakke wateren en daarmee is het toekomstige doelbereik voor dit gebied onzeker. Het Kennisimpuls-project over brakke wateren zal tot en met 2021 helpen het inzicht in het ecologisch functioneren van brakke wateren te vergroten; op basis daarvan kunnen de normen voor nutriënten en biologie voor deze waterlichamen nog wijzigen.

Verder lezen

Maatregelen en effecten

In dit onderdeel worden de effecten van de beschouwde maatregelpakketten beschreven, die zijn gebaseerd op berekeningen door Wageningen Environmental Research (WEnR) en Deltares met het Nationaal Watermodel.

Maatregelpakketten

Maatregelpakketten doorgerekend in de nationale analyse waterkwaliteit

 

 

Binnen de nationale analyse zijn voor biologie en nutriënten berekeningen uitgevoerd voor vier maatregelpakketten.

  • Huidig beleid: het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn, maatregelen uit de KRW-stroomgebiedbeheerplannen 2016-2021, lopende projecten uit het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW).
  • Voorziene maatregelen: maatregelen voorzien voor stroomgebiedbeheerplannen voor de periode 2022-2027, deelname van agrariërs aan DAW-maatregelen bij voortzetting van het huidige beleid, uitvoering van voorgenomen maatregelen in het buitenland.
  • Maximaal pakket: aanvullende maatregelen voor een hoger doelbereik, deelname van agrariërs aan DAW-maatregelen bij maximale inzet van beleid en subsidies, buitenland voldoet aan eigen doelen.
  • 100% deelname aan het DAW: variant op het maximale pakket, waarin wordt aangenomen dat alle agrariërs meedoen met de DAW-maatregelen.

Effecten maatregelen huidig beleid 2016-2021

Aandeel regionale waterlichamen dat voldoet aan biologische norm 2027

Volgens modelberekeningen neemt door de huidige maatregelen het doelbereik per biologisch kwaliteitselement landelijk gemiddeld toe met circa 5 procentpunten, vergeleken met de situatie waarin er in de periode 2016-2021 geen maatregelen zouden zijn uitgevoerd. Ook op het schaalniveau van de deelstroomgebieden ligt in de meeste gevallen de verbetering onder of rond de 5 procentpunten.

Effecten toekomstige maatregelen 2022-2027

Beoordeling biologische kwaliteit in regionale waterlichamen volgens KRW 2027

 

 

 

 

 

 

Met de voorziene maatregelen stijgt het aandeel waterlichamen dat goed scoort per biologisch kwaliteitselement met 1-5 procentpunten naar circa 35-65 procent. Bij maximale inzet kan dit aandeel toenemen tot 45-75 procent. Hierbij is het opvallend dat het aandeel waterlichamen dat voldoet voor biologie in de meeste gevallen lager ligt dan voor nutriënten. Het doelbereik voor algen komt overigens wel goed overeen met nutriënten omdat het voorkomen van algen grotendeels wordt bepaald door de nutriënttoestand.

Beoordeling biologische kwaliteit in rijkswateren volgens KRW

 

Voor het doelbereik in de rijkswateren, momenteel rond de 60 procent, zijn de voorziene maatregelen voldoende om voor nagenoeg alle biologische kwaliteitselementen de doelen te halen. Dit is het resultaat van de Praag-matische methode (zie tekstkader 2.2 in hoofdstuk 2 van het eindrapport van de Nationale analyse), waarmee de norm gelijk wordt aan het effect van de maatregelen. Hierbij is Rijkswaterstaat ervan uitgegaan dat de waterlichamen van bovenstrooms aangrenzende waterbeheerders aan de eigen normen voldoen. Er is geen rekening gehouden met na-ijling van effecten van maatregelen, klimaatverandering, ontwikkeling van exoten of onvoorziene omstandigheden.

Aandeel regionale waterlichamen dat voldoet aan de biologische norm, 2027

Net als voor het pakket huidig beleid, geldt ook voor de aanvullende maatregelpakketten dat er grote verschillen te zien zijn in het doelbereik per deelstroomgebied en tussen de waterschappen binnen de deelstroomgebieden. Ook hier moet weer een kanttekening worden gemaakt voor Schelde, wegens beperkingen in de systeemkennis voor brakke wateren.

Verder lezen

Opgaven en handelingsopties

Hoewel de richting en de grote lijnen van de effecten van maatregelen vaak wel bekend zijn, is de gezamenlijke kennis over maatregel-effectrelaties nog niet in alle gevallen voldoende om die effecten op de biologie overal preciezer te kunnen inschatten. Binnen de Kennisimpuls Waterkwaliteit wordt verder gewerkt aan het verbeteren van de kennis over het samenspel tussen het vóórkomen van planten- en diersoorten en een complex aan factoren, waaronder nutriënten, andere (toxische) stoffen, hydrologie, inrichting, beheer, gebruik, (re)kolonisatie en de relatie met andere organismen. Vanuit de Kennisimpuls zullen de komende jaren concrete handvatten worden gegeven voor maatregelen om de biologische kwaliteit te verbeteren.

Als het gaat om handelingsopties op kortere termijn kunnen, naast het terugdringen van nutriënten en verontreinigingen, verdere verbeteringen in inrichting en beheer worden (her)overwogen:

  • In hoog-Nederland gaat het vooral om het verdergaand hydrologisch herstel en/of hermeanderen van beken.
  • In laag-Nederland kan worden gekeken naar het uitvoeren van hydrologische maatregelen, zoals hydrologische isolatie, het verleggen van waterstromen zodat fosfaatrijkwater niet in gevoelige systemen terechtkomt, of het defosfateren van water dat wordt ingelaten uit polders. Ook kunnen verbetering van de oeverinrichting en een extensiever oever- en slootbeheer worden overwogen.

Er moet dan wel worden afgewogen wat er mogelijk is zonder afbreuk (‘significante schade’) te doen aan het gebruik van deze wateren voor bijvoorbeeld waterafvoer of scheepvaart. Aangezien de interpretatie van ‘significante schade’ deels ook een bestuurlijke of politieke keuze is, verdient het aanbeveling om aandacht te blijven houden voor (hernieuwde) afweging van mogelijke maatregelen.

Verder lezen

Deel deze pagina

Vragen over Nationale Analyse waterkwaliteit?

Neem dan contact op met Frank van Gaalen via frank.vangaalen@pbl.nl