Waterprofessionals juichen graduele meetmethode van giftige mengsels toe

Een nieuwe meetsystematiek voor oppervlaktewater, waarmee giftige stoffen en mengsels veel nauwkeuriger zijn op te sporen en aan te pakken, kan rekenen op groot enthousiasme van waterprofessionals. Dat bleek in een sessie van het KIWK-project Toxiciteit, die werd gehouden tijdens van het Kennisfestival Do Facts matter? van  STOWA en waterschap Drents Overijsselse Delta.

Toxiciteit artikel

Voor een online publiek van ruim 130 professionele waterbeheerders presenteerden Leo Posthuma en Inge van Driezum op donderdag 4 februari hun laatste bevindingen rond de invloed van toxische stoffen en mengsels in oppervlaktewateren. Hun onderzoek maakt deel uit van de Kennisimpuls Waterkwaliteit (KIWK), dat samenhangt met eerdere Europese onderzoeken als SOLUTIONS en MARS, en lopende Nederlandse projecten zoals CEC-Emerche en CEC-SUSPECT. In het KIWK-project Toxicologie werken RIVM, Deltares, KWR en WEnR aan de opvolger van de Ecologische Sleutelfactor Waterkwaliteit (ESF). Belangrijk onderdeel van deze ESF-2 is dat stoffen niet langer binair maar gradueel worden beoordeeld.
 

Beter dan binair

Bijna alle waterprofessionals menen dat een onderverdeling in 5 klassen beter werkt dan een binaire verdeling, waarbij uitsluitend wordt geconcludeerd of een meetresultaat al dan niet voldoet aan een norm. Met een graduele onderverdeling kan een meer afgewogen en preciezer oordeel worden gegeven. En dat heeft als praktische toepassing dat waterbeheerders veel beter hun maatregelen tegen toxiciteit kunnen prioriteren, naar plaatsen en stoffen die er qua bedreigingen het meest toe doen. Het idee is eigenlijk exact hetzelfde als bij nutriënten (effecten van teveel N en P). Niet zo raar, wanneer je je bedenkt dat deze voedingsstoffen ook stoffen zijn.

Een voorbeeld. Bij een binair model geldt het principe last man past the post: totdat de aanwezigheid van álle toxische stoffen onder de maximumnorm ligt, geldt het meetresultaat ‘voldoet niet’. Dat er dan een belletje gaat rinkelen is logisch, wanneer Europese rapporten tonen dat ál het Zweedse oppervlaktewater vervuild is, terwijl de werkelijke situatie een stuk genuanceerder ligt. Een ander voorbeeld: wie in Nederland meer stoffen monitort, voelt zich ‘gestraft’ als blijkt dat gif overal aanwezig is. De norm is goed voor het zorgen voor bescherming, maar niet voor herstelmaatregelen.
 

Inzicht

De toxische druk varieert sterk in Nederland. De graduele methode laat zien dat die druk inzicht geeft in de mate van effecten. Daarmee geeft ze belangrijke informatie voor de prioritering van maatregelen om de ecologische toestand te verhogen en zuiveringsinspanning te verlagen. Drinkwaterbereiding, toegepaste ecologie en ecotoxicologie worden verbonden, door steeds vijf klassen te gebruiken en te koppelen aan de mate van effect. En dat is belangrijk. Uit onderzoek blijkt dat 170.000 stoffen in allerlei mengsels voor een-derde deel veroorzaker zijn van slechte waterkwaliteit. “Een koppeling van de ecologische toestand aan allerlei drukfactoren (zoals mengsels van meer dan 1800 stoffen) maakte het mogelijk een vuistregel af te leiden uit de analyse van de tienduizenden gegevens over de kwaliteit van Europese oppervlaktewateren. Gemiddeld blijken hydrologische veranderingen, fysisch-chemische veranderingen en toxische druk van mengsels elk voor één derde verantwoordelijk voor de ecologische achteruitgang van oppervlaktewater. Dat blijkt deze week ook uit een studie van het Europees milieuagentschap. En omdat elke drukfactor kan fungeren als ‘zwakste schakel’ voor herstel is aandacht voor mengsels belangrijk voor (kosten) effectief beheer” aldus Leo Posthuma.

 

Wat betekent dit voor de praktijk van waterbeheerders?

Gradueel meten geeft waterbeheerders meer mogelijkheden hun maatregelen te prioriteren, eerst naar de ergste plekken, en dan naar de lokale specifieke stofgroepen en stoffen. Dat scheelt ook kosten: wie de belemmering onvoldoende diagnosticeert, investeert in maatregelen die “het niet doen”. Juist mengsels spelen daarbij een rol als verborgen schakel. Er zijn dan wel kosten, maar geen vooruitgang. De graduele meetmethode verkleint dat risico. Inge van Driezum: ‘De zuiveringsinspanning is een belangrijke maat voor drinkwaterbedrijven om inzicht te krijgen in welke stoffen de grootste druk uitoefenen op de drinkwaterzuivering. Ook kunnen drinkwaterbedrijven met zo’n standaard index zien hoe hun bron zich verhoudt tot andere bronnen, en de ontwikkeling van de kwaliteit van de bron voor het maken van drinkwater bijhouden. Naast de chemische analyses die iets vertellen over de concentraties in de bronnen van drinkwater, is ook het vermogen van de drinkwaterzuivering om deze stoffen te verwijderen erg belangrijk. Onze collega’s van KWR hebben bijvoorbeeld laten zien dat er in de Rijn steeds andere stoffen opkomen die de zuiveringsindex hoger maken (RIWA Rijn jaarrapport 2018). Door deze weergave is het mogelijk gerichter maatregelen te nemen.’ Door de zuiveringsinspanning op te delen in vijf klassen, die een steeds hogere inspanning representeren, is het nog makkelijker om te zien wat het niveau van benodigde inspanning is.’

 

Wat behelst die onderverdeling in vijf klassen?

De klassen gaan vooral over effecten. De kennis in de toegepaste ecologie en ecotoxicologie is kwantitatief: hoe groter een drukfactor, hoe groter het effect op de ecologie en de zuiveringsinspanning. De toepassing van die kennis heeft bij de ecologische toestand geleid tot een indeling in vijf klassen, die gebruikt worden om maatregelen te triggeren en te prioriteren. Bij de chemische verontreiniging is de aandacht historisch uitgegaan naar bescherming, via de normering. Voor bescherming voldoet de norm. Maar als er ondanks de normen toch vervuiling is, bijvoorbeeld met mengsels, dan is het zeer nuttig als er, net als bij ecologie, ook vijf klassen zijn. Hiermee kan herstel (kosten)effectief gestuurd worden.

Tijdens het STOWA Festival kon de graduele meetmethode op bijna unanieme bijval rekenen. Toch zijn er ook waterbeheerders die nog hun bedenken hebben. Hoe verklaart Projectleider Leo Posthuma die reactie? “Bedenkingen zijn realistisch en we moeten daar goed naar kijken. Het lijkt nogal een forse verandering, om chemische verontreiniging gradueel te beoordelen voor herstel. De vraag wordt bijvoorbeeld gesteld of zo’n indeling wel mág onder de kader richtlijn water. Of dat zo’n indeling strijdig zou kunnen zijn met de normen zelf. Op een aantal bekende punten kunnen we melden dat de beschikbare kennis bij de vijf klassen zó verwerkt wordt, dat de bestande normering er integraal onderdeel van is, en dus zeker niet strijdig! Een aantal denkbare bezwaren zijn in beeld, en we zijn als projectteam zeker benieuwd naar alle voors- en tegens”     

Hebt u vragen?

Voor vragen kunt u een email sturen naar leo.posthuma@rivm.nl

Deel deze pagina

Houd mij op de hoogte